Ze kijkt om zich heen. Is er een tafel vrij waar ze even kan bijkomen van deze apocalyptische vreetpartij? De gasten die van tafel zijn opgestaan laten een ruïne achter van aangevreten resten: half afgekloven kippen, in yoghurt gestikte selderiestengels, stukken brood waarmee Klein Duimpje honderd keer de weg naar huis had kunnen terugvinden. Het is als een laatste maaltijd voor de beul aanklopt. Een wanhopige poging zich vol te stoppen met leven. Het is pathologische overdaad. Het zal wel all-inclusive zijn, denkt Gigengack, die de gasten vertrouwt als een waard de zijne.