Vol Immodium dat mijn ingewanden de volgende dagen tot een blok beton maakt dat moest worden losgebeiteld door Dulcolax stap ik in de taxi van de enigszins gekalmeerde quatman. Het is nauwelijks licht. Zes uur. De chauffeur heeft een ijsmuts op, want het is vijftien graden. Dan doen wij een jasje uit. De nachtwaker van het hotel staat achter de balie: ijsmuts op, das om, hij sliep op een matje voor de deur. In de schemering gaan we naar de ghats. Er is al volk op weg. Hier en daar vuren, een stalletje waar dampende thee wordt geschonken, een lichtje aan. Mannen op pad op de fiets, winkels nog dicht. Lege riskja’s geparkeerd. De hel is nu nog een vagevuurtje.